Naar de weg gerichte camera (model 2)

This is a printed page that might be out of date. To read the most up-to-date help content, visit https://device-help.verizonconnect.com.


  • Apparaatinformatie

    road-facing-camera-model-2.png

    Camerafuncties:

    • 720p HD video
      Geniet van duidelijke opnamen van hoge kwaliteit
    • Zicht van 150°
      Bekijk het zicht van de bestuurder
    • Industrieel
      Bestendig tegen hoge hitte en vibraties
    • Cloud-opslag
      Uw videoclips zijn voor 90 dagen beschikbaar
  • Voorbereiding voor de installatie

    Download de app

    U moet de Spotlight-app of de Geïntegreerde video-app gebruiken om de camera te installeren.

    Download de Spotlight-app:

    btn-app-store.svg btn-google-play.svg
    Download de Geïntegreerde video-app:
    btn-app-store.svg btn-google-play.svg

    Meld u aan bij de app met de inloggegevens van Verizon Connect.

    Niet zeker welke app u moet gebruiken?

    Wat wordt er meegeleverd

    • 1 x camera
    • 1 x kabel (A)
    • 1 x V kabelboom (B)
    • 1 x aansluitkabel OBD-II (C) (op verzoek verkrijgbaar)
    • 1 x OBD-II-passthrough-kabel
    • 1 x aansluitkabel met 3 draden (E)
    • 1 x voedingsadapter
    • 1 x SD-kaart (al in de camera geplaatst, tenzij een SD-kaart met hogere capaciteit is besteld)
    • 1 x simkaart
    • 2 x 3M VHB kleefplaatjes
    • 5 x kabelbinders
    • 5 x bevestigingen kabelbinders
    • 2 x alcoholdoekjes
    • Veiligheidsklepje
    • Sleutel

    Benodigde hulpmiddelen

    • Mobiel apparaat
    • Meegeleverde sleutel
  • De camera installeren

    De kabels van de camera aansluiten

    1. Gebruik de sleutel om te ontgrendelen, druk op de vrijgaveknop op het veiligheidsklepje en verwijder het veiligheidsklepje van de camera.
      connect-the-camera-cables-1__1_.jpg
    2. Sluit kabel A aan op de camera.

      connect-the-camera-cables-2.jpg
    3. Als u een SD-kaart met een hogere capaciteit hebt besteld, steekt u deze in de SD-sleuf.
    4. Plaats het veiligheidsklepje terug en laat de sleutel in het slot.

      connect-the-camera-cables-4.jpg
    5. Sluit kabel A aan op de DC voedingsadapter.

      connect-the-camera-cables-5.jpg
    6. Sluit de kabelboom (B) aan op de DC voedingsadapter.

      connect-the-camera-cables-6.jpg

    7. Sluit de kabelboom (B) aan op de aansluitkabel (C of E) of de OBD-II-passthrough afhankelijk van het voertuigtype.

      revised_24v_cabling_A.png

    De camera met de voedingsbron verbinden

    De camera moet verbonden worden met een voedingsbron.

    Voor u de camera aansluit, moet u controleren of de motor is uitgeschakeld en dat de DC voedingsadapter is ingeschakeld.

    Om de camera te verbinden met een voedingsbron moet u de juiste kabel voor het voertuig gebruiken.

    revised_24v_cabling_B.png

    • Voor lichte bedrijfswagens of privévoertuigen (alleen 12 V) gebruikt u de OBD-II aansluitkabel (kabel C) als de OBD-II-poort beschikbaar is. Gebruik de OBD-II-passthrough als de OBD-II-poort aangesloten is aan een Y-kabel of verlengkabel met een voertuigvolgsysteem.
    • Voor vrachtwagens (alleen 12 V) gebruikt u de aansluitkabel met 3 draden (kabel E).
    • Voor lichte voertuigen die zijn geproduceerd voor 1996 of voor vrachtwagens met aansluitkabels van 6 pennen gebruikt u de aansluitkabel met 3 draden (kabel E).

    Aansluiten op een OBD-II poort (kabel C)

    1. Zoek de poort.
      De locatie van de OBD-II poort verschilt per voertuig. De poort bevindt zich meestal links van het stuur, onder het dashboard. Het schema toont andere mogelijke locaties. Ga naar de Hum-website om te zoeken op merk, model of jaar van het voertuig. connecting-to-an-obd-ii-port-1a.jpg
    2. Steek de kabel stevig in de OBD-II poort.

      Aansluiten op een OBD-II poort (Y-kabel of verlengkabel)

      1. Voertuigvolgsysteem zoeken. Als het systeem al op het voertuig is gemonteerd, maak het dan los.
      2. Zorg ervoor dat de OBD-II-passthrough aangesloten is op systeemaansluiting of verlengkabel van de Y-kabel.
      3. Zorg ervoor dat het voertuigvolgsysteem aangesloten is op uw OBD-II-passthrough. Voor meer informatie, zie de installatiehandleiding van uw voertuigvolgsysteem.
      4. Zorg ervoor dat de Y-kabel of verlengkabel aangesloten is op de OBD-II-poort van uw voertuig.

      Aansluiten met de aansluitkabel met 3 draden (kabel E)

      Zorg ervoor dat de deur aan de bestuurderszijde open blijft tijdens het installatieproces.

      Als u een met 3 draden gekoppelde camera toevoegt aan een bestaande met 3 draden gekoppelde gps-installatie, kunt u de bestaande verbindingen voor constante, ontsteking en aarding of een roestvrijstalen ringterminal gebruiken om uw eigen aardingsverbinding te maken.

      We raden aan stootverbindingen of posi-taps te gebruiken. We raden aan geen Add A-Fuse, zekerhouders of Scotchlock-connectors te gebruiken voor bedrading.

      Zwarte draad - aarde

      Controleer of de motor is uitgeschakeld en bevestig de zwarte draad direct aan een aardingspunt in het chassis of aan een aardingskabel (aarding chassis) door direct verbinding te maken met een aardingsleiding of door middel van insteken in de draad (zie onderstaand).

      Rode draad - constant vermogen

      Controleer of de motor is uitgeschakeld en gebruik een spanningsmeter om een accukabel van 12 Volt te zoeken en sluit de rode draad aan door direct verbinding te maken met een kabel of door middel van insteken in de draad. Bij het koppelen van een gezekerde leiding of bij het gebruiken van een geïntegreerde zekering (niet vereist) moet de waarde ten minste 5 amp zijn.

      Let op dat u een draad voor voeding naar accessoires niet verward met een draad voor continue voeding (12 volt, altijd aan).

      Om een continue vermogensbron te bepalen:

      1. Controleer of de deur aan de bestuurderszijde open is.
      2. Selecteer een draad.
      3. Controleer of de motor is uitgeschakeld en gebruik een spanningsmeter om de DC-spanning van de draad te meten. Dit moet 12 VDC of hoger zijn.

      Witte draad - ontstekingsvermogen

      Controleer of de motor is uitgeschakeld en gebruik een spanningsmeter om een ontstekingskabel met geschakeld vermogen te zoeken en sluit de witte draad aan door direct verbinding te maken met de kabel of door middel van insteken in de draad.

      • Gebruik geen geïntegreerde zekering op deze leiding.
      • Gebruik vermogen voor accessoires niet.

      Insteken in kabel

      connecting-to-an-obd-ii-port-3.jpg

      1. Zoek de juiste draad.
      2. Strip de isolatie van een deel van de draad.
      3. Maak een gat in de blootgelegde draad
      4. Steek de kabel door het gat.
      5. Wikkel de kabel stevig vast en isoleer met isolatietape.
      6. Plaats een tiewrap over de isolatietape aan elke zijde van de verbinding.

      De camera inschakelen

      Als de camera is verbonden met de vermogensbron zet u het contact aan en schakelt u de camera in.

      Tijdens het opstarten van de camera knipperen de rode, blauwe en groene lampjes.

      Opstarten stap 1

      Red-on.png

      Aan

      Blue-off.png

      Uit

      Green-off.png

      Uit

      Sound-off_alternative.png

      Geen geluid

      Opstarten stap 2

      Red-on.png

      Aan

      blue-on-off.png

      Aan/uit

      Green-off.png

      Uit

      Sound-off_alternative.png

      Geen geluid

      Opstarten stap 3

      Red-on.png

      Aan

      Blue-on.png

      Aan

      green-on-off.png

      Aan/uit

      Sound-off_alternative.png

      Geen geluid

      Opstarten afgerond

      red-on.png

      Aan

      blue-on.png

      Aan

      Green-off.png

      Uit

      Sound-off_alternative.png

      Geen geluid

      Camera werkt naar behoren

      red-off.png

      Uit

      Blue-on.png

      Aan

      Green-on.png

      Aan

      Sound-off_alternative.png

      Geen geluid


      Als de blauwe en groene lampjes niet constant branden na 10 minuten, moet u het probleem met de indicatorlampjes van de camera verhelpen.

      De camera identificeren

      Gebruik de Geïntegreerde video-app om de barcode te scannen en de camera te identificeren.

      Elke camera heeft een unieke barcode en serienummer. Het serienummer kan op de camera zelf en op de doos waarin de camera werd geleverd gevonden worden.

      Om de camera te identificeren, scant u de barcode met de Geïntegreerde video-app (zie installatiehandleiding camera voor u begint als u de app nog niet hebt geïnstalleerd).

      identify-the-camera.jpg

      Volg de volgende stappen in de app:

      1. Kies in de app cog-icon_24px.png (Instellingen).
      2. Kies Nieuwe camera of nieuw apparaat toevoegen.
      3. Houd uw apparaat zo dat de barcode verschijnt in de zoeker van de app. De app identificeert de camera automatisch.
      4. U kunt het serienummer ook handmatig invoeren. Hiervoor selecteert u Handmatige invoer, voert u het serienummer in met het toetsenbord en selecteert u Volgende.

      De camerapositie bepalen

      Bepaal een geschikte locatie voor u de camera op de voorruit bevestigt. Houd bij het kiezen van een locatie rekening met het volgende:

      1. De camera moet zo hoog mogelijk geplaatst worden binnen de ruitenwisserzone aan de bestuurderszijde.
      2. Het cameragedeelte van het apparaat moet in het bovenste gedeelte (5 cm) van de ruitenwisserzone geplaatst worden.
      3. De camera mag het zicht van de bestuurder niet belemmeren.
      4. Plaats de camera niet in de buurt van het climate control-systeem van het voertuig aangezien overmatige warmte invloed kan hebben op de werking van de camera.
      5. Laat genoeg ruimte om de sleutel te verwijderen uit het veiligheidsklepje.

      De camera kan overal in het gemarkeerde gedeelte worden geplaatst.

      choose-camera-placement.jpg


      De camera op de voorruit plaatsen

      De glastemperatuur van de voorruit mag niet te warm of te koud zijn. Installeer de camera bij een geschikte temperatuur (tussen 10 °C en 26 °C wordt aanbevolen).

      1. Gebruik de meegeleverde doekjes om het gebied op de voorruit waar de camera wordt geplaatst te reinigen en te drogen.

        stick-to-windshield-1.jpg

      2. Verwijder de beschermlaag van het kleefplaatje.

        stick-to-windshield-2.jpg
      3. Bevestig de camera op de voorruit.
      4. Druk de camera 30 seconden stevig vast.

      De camera afstellen

      De camera moet op de weg gericht zijn en niet belemmerd worden.

      Stap 1: Stel de hoek van de camera af

      1. Verplaats het veiligheidsklepje lichtjes zodat de camera aangepast kan worden.align-the-camera-1a.jpg
      2. Stel de camera af aan de hand van de kanteling van de voorruit.
      3. Vervang het veiligheidsklepje.align-the-camera-1c.jpg

      Stap 2: Test de camerapositie

      1. U ziet een voorbeeldweergave in de app. Controleer of de camera goed is afgesteld en dat het beeld niet wordt belemmerd.
      2. Zodra de positie en het beeld naar wens zijn, plaatst u het veiligheidsklepje terug en vergrendelt u deze.
      3. Kies Volgende in de app.align-the-camera-2.jpg

      De kabels wegwerken

      De kabels van de camera kunnen op 2 manieren weggewerkt worden om te verzekeren dat ze het zicht van de bestuurder niet belemmeren.

      • Plaats de stroomkabel in de dakpanelen.

      of

      • Gebruik de meegeleverde kabelbinders om de kabels uit het zicht van de bestuurder te bevestigen. Plaats de stroomkabel vervolgens naar de zijkant en achter de interieurpanelen richting de voedingsbron.

      Als u het voertuigvolgsysteem heeft moeten verwijderen, plaats deze dan weer stevig terug. Als u ook een naar de bestuurder gerichte camera installeert, wacht dan tot met het plaatsen van het voertuigvolgsysteem tot de camera geïnstalleerd is.


      tidy-away-the-cables.png


      Koppel de camera met het voertuig en activeer de camera

      De camera moet verbonden worden met een voertuig zodat door de camera gedetecteerd onrustig rijgedrag gekoppeld kan worden aan een bepaald voertuig.

      1. Kies in de app welk voertuig gekoppeld moet worden aan de camera in het scherm Voertuig identificeren.

      2. Kies het voertuig uit de lijst of zoek op voertuignaam, voertuigidentificatienummer (VIN), voertuigregistratienummer (REG) of elektronisch serienummer (ESN).

      3. Selecteer Volgende.

      4. Bevestig dat de camera is verbonden met het juiste voertuig en selecteer Camera activeren.

 


Was dit artikel nuttig?


Aantal gebruikers dat dit nuttig vond: 0 van 0